bedriegen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bedriegen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bedriegen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bedriegend
Past participle - Verleden deelwoord: bedrogen

Cognates

See the 2 cognates of bedriegen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbedrieg
jijbedriegt
hijbedriegt
wijbedriegen
julliebedriegen
zijbedriegen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bedrogen
jijhebt bedrogen
hijheeft bedrogen
wijhebben bedrogen
julliehebben bedrogen
zijhebben bedrogen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbedroog
jijbedroog
hijbedroog
wijbedrogen
julliebedrogen
zijbedrogen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bedrogen
jijhad bedrogen
hijhad bedrogen
wijhadden bedrogen
julliehadden bedrogen
zijhadden bedrogen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bedriegen
jijzult bedriegen
hijzal bedriegen
wijzullen bedriegen
julliezullen bedriegen
zijzullen bedriegen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bedrogen hebben
jijzult bedrogen hebben
hijzal bedrogen hebben
wijzullen bedrogen hebben
julliezullen bedrogen hebben
zijzullen bedrogen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bedriegen
jijzou bedriegen
hijzou bedriegen
wijzouden bedriegen
julliezouden bedriegen
zijzouden bedriegen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bedrogen hebben
jijzou bedrogen hebben
hijzou bedrogen hebben
wijzouden bedrogen hebben
julliezouden bedrogen hebben
zijzouden bedrogen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbedrieg

Translations

  • abuse, to deceive
  • bamboozle, to con, defraud, trick
  • beguile, to deceive or delude (using guile)
  • betray, to lead astray, as a maiden
  • cheat, to deceive
  • cheat, violate rules to gain advantage
  • cog, cheat at dice
  • con, to trick or defraud, usually for personal gain
  • cozen, archaic: to cheat, defraud
  • cuckold, make a cuckold
  • deceive, trick or mislead
  • delude, to deceive
  • fool, to trick; to make a fool of someone
  • hum, to deceive
  • mislead, lead in a false direction
  • shortchange, to deprive someone of something for which they paid
  • spoof, to deceive
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bedonderen
    bedotten, belazeren, misleiden

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch bedriegen, from Old Dutch bidriegan, from Proto-West Germanic *bidreugan.

    Verbs referencing "bedriegen"

    Danish bedrage.

    Additional Information