archiveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of archiveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: archiveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: archiverend
Past participle - Verleden deelwoord: gearchiveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikarchiveer
jijarchiveert
hijarchiveert
wijarchiveren
julliearchiveren
zijarchiveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gearchiveerd
jijhebt gearchiveerd
hijheeft gearchiveerd
wijhebben gearchiveerd
julliehebben gearchiveerd
zijhebben gearchiveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikarchiveerde
jijarchiveerde
hijarchiveerde
wijarchiveerden
julliearchiveerden
zijarchiveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gearchiveerd
jijhad gearchiveerd
hijhad gearchiveerd
wijhadden gearchiveerd
julliehadden gearchiveerd
zijhadden gearchiveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal archiveren
jijzult archiveren
hijzal archiveren
wijzullen archiveren
julliezullen archiveren
zijzullen archiveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gearchiveerd hebben
jijzult gearchiveerd hebben
hijzal gearchiveerd hebben
wijzullen gearchiveerd hebben
julliezullen gearchiveerd hebben
zijzullen gearchiveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou archiveren
jijzou archiveren
hijzou archiveren
wijzouden archiveren
julliezouden archiveren
zijzouden archiveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gearchiveerd hebben
jijzou gearchiveerd hebben
hijzou gearchiveerd hebben
wijzouden gearchiveerd hebben
julliezouden gearchiveerd hebben
zijzouden gearchiveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijarchiveer

Translations

  • archive, to archive
  • file, to archive
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French archiver. See: French 'archiver'.

    Additional Information