annuleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of annuleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: annuleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: annulerend
Past participle - Verleden deelwoord: geannuleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikannuleer
jijannuleert
hijannuleert
wijannuleren
jullieannuleren
zijannuleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geannuleerd
jijhebt geannuleerd
hijheeft geannuleerd
wijhebben geannuleerd
julliehebben geannuleerd
zijhebben geannuleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikannuleerde
jijannuleerde
hijannuleerde
wijannuleerden
jullieannuleerden
zijannuleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geannuleerd
jijhad geannuleerd
hijhad geannuleerd
wijhadden geannuleerd
julliehadden geannuleerd
zijhadden geannuleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal annuleren
jijzult annuleren
hijzal annuleren
wijzullen annuleren
julliezullen annuleren
zijzullen annuleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geannuleerd hebben
jijzult geannuleerd hebben
hijzal geannuleerd hebben
wijzullen geannuleerd hebben
julliezullen geannuleerd hebben
zijzullen geannuleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou annuleren
jijzou annuleren
hijzou annuleren
wijzouden annuleren
julliezouden annuleren
zijzouden annuleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geannuleerd hebben
jijzou geannuleerd hebben
hijzou geannuleerd hebben
wijzouden geannuleerd hebben
julliezouden geannuleerd hebben
zijzouden geannuleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijannuleer

Translations

  • abort, computing: to terminate a process prior to completion
  • nullify, make legally invalid
  • repeal, to cancel
  • void, to make invalid or worthless
  • annul, formally revoke the validity of
  • annul, dissolve (a marital union)
  • cancel, invalidate, annul
  • rescind, repeal, annul, or declare void
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch annuleren, from Middle French annuler from Old French annuler, from Latin annullō (“annihilate, annul”), from ad (“to”) + nūllus (“none, not any”). See: Latin 'annullō'.

    Additional Information