annoteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of annoteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: annoteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: annoterend
Past participle - Verleden deelwoord: geannoteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikannoteer
jijannoteert
hijannoteert
wijannoteren
jullieannoteren
zijannoteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geannoteerd
jijhebt geannoteerd
hijheeft geannoteerd
wijhebben geannoteerd
julliehebben geannoteerd
zijhebben geannoteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikannoteerde
jijannoteerde
hijannoteerde
wijannoteerden
jullieannoteerden
zijannoteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geannoteerd
jijhad geannoteerd
hijhad geannoteerd
wijhadden geannoteerd
julliehadden geannoteerd
zijhadden geannoteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal annoteren
jijzult annoteren
hijzal annoteren
wijzullen annoteren
julliezullen annoteren
zijzullen annoteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geannoteerd hebben
jijzult geannoteerd hebben
hijzal geannoteerd hebben
wijzullen geannoteerd hebben
julliezullen geannoteerd hebben
zijzullen geannoteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou annoteren
jijzou annoteren
hijzou annoteren
wijzouden annoteren
julliezouden annoteren
zijzouden annoteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geannoteerd hebben
jijzou geannoteerd hebben
hijzou geannoteerd hebben
wijzouden geannoteerd hebben
julliezouden geannoteerd hebben
zijzouden geannoteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijannoteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Middle French annoter, from Latin annotō. See: Latin 'annotō'.

Additional Information