alkaliseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of alkaliseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: alkaliseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: alkaliserend
Past participle - Verleden deelwoord: gealkaliseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikalkaliseer
jijalkaliseert
hijalkaliseert
wijalkaliseren
julliealkaliseren
zijalkaliseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gealkaliseerd
jijhebt gealkaliseerd
hijheeft gealkaliseerd
wijhebben gealkaliseerd
julliehebben gealkaliseerd
zijhebben gealkaliseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikalkaliseerde
jijalkaliseerde
hijalkaliseerde
wijalkaliseerden
julliealkaliseerden
zijalkaliseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gealkaliseerd
jijhad gealkaliseerd
hijhad gealkaliseerd
wijhadden gealkaliseerd
julliehadden gealkaliseerd
zijhadden gealkaliseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal alkaliseren
jijzult alkaliseren
hijzal alkaliseren
wijzullen alkaliseren
julliezullen alkaliseren
zijzullen alkaliseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gealkaliseerd hebben
jijzult gealkaliseerd hebben
hijzal gealkaliseerd hebben
wijzullen gealkaliseerd hebben
julliezullen gealkaliseerd hebben
zijzullen gealkaliseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou alkaliseren
jijzou alkaliseren
hijzou alkaliseren
wijzouden alkaliseren
julliezouden alkaliseren
zijzouden alkaliseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gealkaliseerd hebben
jijzou gealkaliseerd hebben
hijzou gealkaliseerd hebben
wijzouden gealkaliseerd hebben
julliezouden gealkaliseerd hebben
zijzouden gealkaliseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijalkaliseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information