agiteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of agiteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: agiteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: agiterend
Past participle - Verleden deelwoord: geagiteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikagiteer
jijagiteert
hijagiteert
wijagiteren
jullieagiteren
zijagiteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geagiteerd
jijhebt geagiteerd
hijheeft geagiteerd
wijhebben geagiteerd
julliehebben geagiteerd
zijhebben geagiteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikagiteerde
jijagiteerde
hijagiteerde
wijagiteerden
jullieagiteerden
zijagiteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geagiteerd
jijhad geagiteerd
hijhad geagiteerd
wijhadden geagiteerd
julliehadden geagiteerd
zijhadden geagiteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal agiteren
jijzult agiteren
hijzal agiteren
wijzullen agiteren
julliezullen agiteren
zijzullen agiteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geagiteerd hebben
jijzult geagiteerd hebben
hijzal geagiteerd hebben
wijzullen geagiteerd hebben
julliezullen geagiteerd hebben
zijzullen geagiteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou agiteren
jijzou agiteren
hijzou agiteren
wijzouden agiteren
julliezouden agiteren
zijzouden agiteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geagiteerd hebben
jijzou geagiteerd hebben
hijzou geagiteerd hebben
wijzouden geagiteerd hebben
julliezouden geagiteerd hebben
zijzouden geagiteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijagiteer

Translations

  • churn, agitate rapidly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French agiter, from Old French agiter, from Latin agitō, frequentative of agō. See: Latin 'agitō'.

    Additional Information