aggregeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aggregeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aggregeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aggregerend
Past participle - Verleden deelwoord: geaggregeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaggregeer
jijaggregeert
hijaggregeert
wijaggregeren
jullieaggregeren
zijaggregeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaggregeerd
jijhebt geaggregeerd
hijheeft geaggregeerd
wijhebben geaggregeerd
julliehebben geaggregeerd
zijhebben geaggregeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaggregeerde
jijaggregeerde
hijaggregeerde
wijaggregeerden
jullieaggregeerden
zijaggregeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaggregeerd
jijhad geaggregeerd
hijhad geaggregeerd
wijhadden geaggregeerd
julliehadden geaggregeerd
zijhadden geaggregeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aggregeren
jijzult aggregeren
hijzal aggregeren
wijzullen aggregeren
julliezullen aggregeren
zijzullen aggregeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaggregeerd hebben
jijzult geaggregeerd hebben
hijzal geaggregeerd hebben
wijzullen geaggregeerd hebben
julliezullen geaggregeerd hebben
zijzullen geaggregeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aggregeren
jijzou aggregeren
hijzou aggregeren
wijzouden aggregeren
julliezouden aggregeren
zijzouden aggregeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaggregeerd hebben
jijzou geaggregeerd hebben
hijzou geaggregeerd hebben
wijzouden geaggregeerd hebben
julliezouden geaggregeerd hebben
zijzouden geaggregeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaggregeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Latin aggregō, possibly by way of French agréger. See: Latin 'aggregō', French 'agréger'.

Additional Information