afwerken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afwerken

The word "afwerken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afwerken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afwerkend
Past participle - Verleden deelwoord: afgewerkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwerk af
jijwerkt af
hijwerkt af
wijwerken af
julliewerken af
zijwerken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgewerkt
jijhebt afgewerkt
hijheeft afgewerkt
wijhebben afgewerkt
julliehebben afgewerkt
zijhebben afgewerkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwerkte af
jijwerkte af
hijwerkte af
wijwerkten af
julliewerkten af
zijwerkten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgewerkt
jijhad afgewerkt
hijhad afgewerkt
wijhadden afgewerkt
julliehadden afgewerkt
zijhadden afgewerkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afwerken
jijzult afwerken
hijzal afwerken
wijzullen afwerken
julliezullen afwerken
zijzullen afwerken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgewerkt hebben
jijzult afgewerkt hebben
hijzal afgewerkt hebben
wijzullen afgewerkt hebben
julliezullen afgewerkt hebben
zijzullen afgewerkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afwerken
jijzou afwerken
hijzou afwerken
wijzouden afwerken
julliezouden afwerken
zijzouden afwerken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgewerkt hebben
jijzou afgewerkt hebben
hijzou afgewerkt hebben
wijzouden afgewerkt hebben
julliezouden afgewerkt hebben
zijzouden afgewerkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwerk af

Verbs similar to 'afwerken'

Translations

  • complement, to complete
  • complete, to complete
  • finish, to complete
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From af + werken.

    Additional Information