afvloeken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afvloeken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afvloeken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afvloekend
Past participle - Verleden deelwoord: afgevloekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvloek af
jijvloekt af
hijvloekt af
wijvloeken af
jullievloeken af
zijvloeken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgevloekt
jijhebt afgevloekt
hijheeft afgevloekt
wijhebben afgevloekt
julliehebben afgevloekt
zijhebben afgevloekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvloekte af
jijvloekte af
hijvloekte af
wijvloekten af
jullievloekten af
zijvloekten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgevloekt
jijhad afgevloekt
hijhad afgevloekt
wijhadden afgevloekt
julliehadden afgevloekt
zijhadden afgevloekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afvloeken
jijzult afvloeken
hijzal afvloeken
wijzullen afvloeken
julliezullen afvloeken
zijzullen afvloeken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgevloekt hebben
jijzult afgevloekt hebben
hijzal afgevloekt hebben
wijzullen afgevloekt hebben
julliezullen afgevloekt hebben
zijzullen afgevloekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afvloeken
jijzou afvloeken
hijzou afvloeken
wijzouden afvloeken
julliezouden afvloeken
zijzouden afvloeken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgevloekt hebben
jijzou afgevloekt hebben
hijzou afgevloekt hebben
wijzouden afgevloekt hebben
julliezouden afgevloekt hebben
zijzouden afgevloekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvloek af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information