afspreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afspreken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afspreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afsprekend
Past participle - Verleden deelwoord: afgesproken

Cognates

See the 3 cognates of afspreken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspreek af
jijspreekt af
hijspreekt af
wijspreken af
julliespreken af
zijspreken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgesproken
jijhebt afgesproken
hijheeft afgesproken
wijhebben afgesproken
julliehebben afgesproken
zijhebben afgesproken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksprak af
jijsprak af
hijsprak af
wijspraken af
julliespraken af
zijspraken af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgesproken
jijhad afgesproken
hijhad afgesproken
wijhadden afgesproken
julliehadden afgesproken
zijhadden afgesproken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afspreken
jijzult afspreken
hijzal afspreken
wijzullen afspreken
julliezullen afspreken
zijzullen afspreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgesproken hebben
jijzult afgesproken hebben
hijzal afgesproken hebben
wijzullen afgesproken hebben
julliezullen afgesproken hebben
zijzullen afgesproken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afspreken
jijzou afspreken
hijzou afspreken
wijzouden afspreken
julliezouden afspreken
zijzouden afspreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgesproken hebben
jijzou afgesproken hebben
hijzou afgesproken hebben
wijzouden afgesproken hebben
julliezouden afgesproken hebben
zijzouden afgesproken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspreek af

Translations

  • meet, see through arrangement
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    beslissen
    overeenkomen

    Sample Sentences

    • [...] niet alleen genoeg was voor hen gedurende een geruimen tijd, maar ook voor al hunne landslieden voor acht dagen; en na hun goede reis gewenscht te hebben, liet ik hen vertrekken, na een sein met hen afgesproken te hebben, dat zij bij hunne terugkomst zouden laten waaijen, en waaraan ik hen op een afstand en vóór zij aan den wal kwamen, kon herkennen. Zij vertrokken bij gunstigen wind en met volle maan, [...] (Robinson Crusoe)
    • Zoodra de kapitein weder meester van zijn schip was, liet hij zeven schoten doen, welk sein hij met mij afgesproken had, om mij van den goeden uitslag te verwittigen. Men kan denken of ik verheugd was dit te hooren, daar ik tot bijkans twee uren in den morgen er op had zitten wachten. Na het sein gehoord te [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From af + spreken.

    Verbs referencing "afspreken"

    Swedish avtala.

    Additional Information