afhelpen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afhelpen

The word "afhelpen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afhelpen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afhelpend
Past participle - Verleden deelwoord: afgehelpt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhelp af
jijhelpt af
hijhelpt af
wijhelpen af
julliehelpen af
zijhelpen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgehelpt
jijhebt afgehelpt
hijheeft afgehelpt
wijhebben afgehelpt
julliehebben afgehelpt
zijhebben afgehelpt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhelpte af
jijhelpte af
hijhelpte af
wijhelpten af
julliehelpten af
zijhelpten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgehelpt
jijhad afgehelpt
hijhad afgehelpt
wijhadden afgehelpt
julliehadden afgehelpt
zijhadden afgehelpt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afhelpen
jijzult afhelpen
hijzal afhelpen
wijzullen afhelpen
julliezullen afhelpen
zijzullen afhelpen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgehelpt hebben
jijzult afgehelpt hebben
hijzal afgehelpt hebben
wijzullen afgehelpt hebben
julliezullen afgehelpt hebben
zijzullen afgehelpt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afhelpen
jijzou afhelpen
hijzou afhelpen
wijzouden afhelpen
julliezouden afhelpen
zijzouden afhelpen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgehelpt hebben
jijzou afgehelpt hebben
hijzou afgehelpt hebben
wijzouden afgehelpt hebben
julliezouden afgehelpt hebben
zijzouden afgehelpt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhelp af

Verbs similar to 'afhelpen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

A compound of af + helpen.

Additional Information