affolen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of affolen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: affolen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: affolend
Past participle - Verleden deelwoord: afgefoold

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfool af
jijfoolt af
hijfoolt af
wijfolen af
julliefolen af
zijfolen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgefoold
jijhebt afgefoold
hijheeft afgefoold
wijhebben afgefoold
julliehebben afgefoold
zijhebben afgefoold

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfoolde af
jijfoolde af
hijfoolde af
wijfoolden af
julliefoolden af
zijfoolden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgefoold
jijhad afgefoold
hijhad afgefoold
wijhadden afgefoold
julliehadden afgefoold
zijhadden afgefoold

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal affolen
jijzult affolen
hijzal affolen
wijzullen affolen
julliezullen affolen
zijzullen affolen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgefoold hebben
jijzult afgefoold hebben
hijzal afgefoold hebben
wijzullen afgefoold hebben
julliezullen afgefoold hebben
zijzullen afgefoold hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou affolen
jijzou affolen
hijzou affolen
wijzouden affolen
julliezouden affolen
zijzouden affolen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgefoold hebben
jijzou afgefoold hebben
hijzou afgefoold hebben
wijzouden afgefoold hebben
julliezouden afgefoold hebben
zijzouden afgefoold hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfool af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information