Infinitive - Onbepaalde wijs: affineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: affinerend
Past participle - Verleden deelwoord: afgefineerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | fineer af |
| jij | fineert af |
| hij | fineert af |
| wij | fineren af |
| jullie | fineren af |
| zij | fineren af |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgefineerd |
| jij | hebt afgefineerd |
| hij | heeft afgefineerd |
| wij | hebben afgefineerd |
| jullie | hebben afgefineerd |
| zij | hebben afgefineerd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | fineerde af |
| jij | fineerde af |
| hij | fineerde af |
| wij | fineerden af |
| jullie | fineerden af |
| zij | fineerden af |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgefineerd |
| jij | had afgefineerd |
| hij | had afgefineerd |
| wij | hadden afgefineerd |
| jullie | hadden afgefineerd |
| zij | hadden afgefineerd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal affineren |
| jij | zult affineren |
| hij | zal affineren |
| wij | zullen affineren |
| jullie | zullen affineren |
| zij | zullen affineren |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgefineerd hebben |
| jij | zult afgefineerd hebben |
| hij | zal afgefineerd hebben |
| wij | zullen afgefineerd hebben |
| jullie | zullen afgefineerd hebben |
| zij | zullen afgefineerd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou affineren |
| jij | zou affineren |
| hij | zou affineren |
| wij | zouden affineren |
| jullie | zouden affineren |
| zij | zouden affineren |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgefineerd hebben |
| jij | zou afgefineerd hebben |
| hij | zou afgefineerd hebben |
| wij | zouden afgefineerd hebben |
| jullie | zouden afgefineerd hebben |
| zij | zouden afgefineerd hebben |
| jij | fineer af |