afduiken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afduiken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afduiken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afduikend
Past participle - Verleden deelwoord: afgedoken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikduik af
jijduikt af
hijduikt af
wijduiken af
jullieduiken af
zijduiken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgedoken
jijhebt afgedoken
hijheeft afgedoken
wijhebben afgedoken
julliehebben afgedoken
zijhebben afgedoken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdook af
jijdook af
hijdook af
wijdoken af
julliedoken af
zijdoken af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgedoken
jijhad afgedoken
hijhad afgedoken
wijhadden afgedoken
julliehadden afgedoken
zijhadden afgedoken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afduiken
jijzult afduiken
hijzal afduiken
wijzullen afduiken
julliezullen afduiken
zijzullen afduiken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgedoken hebben
jijzult afgedoken hebben
hijzal afgedoken hebben
wijzullen afgedoken hebben
julliezullen afgedoken hebben
zijzullen afgedoken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afduiken
jijzou afduiken
hijzou afduiken
wijzouden afduiken
julliezouden afduiken
zijzouden afduiken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgedoken hebben
jijzou afgedoken hebben
hijzou afgedoken hebben
wijzouden afgedoken hebben
julliezouden afgedoken hebben
zijzouden afgedoken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijduik af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information