afbreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afbreken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afbreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afbrekend
Past participle - Verleden deelwoord: afgebroken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbreek af
jijbreekt af
hijbreekt af
wijbreken af
julliebreken af
zijbreken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgebroken
jijhebt afgebroken
hijheeft afgebroken
wijhebben afgebroken
julliehebben afgebroken
zijhebben afgebroken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbrak af
jijbrak af
hijbrak af
wijbraken af
julliebraken af
zijbraken af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgebroken
jijhad afgebroken
hijhad afgebroken
wijhadden afgebroken
julliehadden afgebroken
zijhadden afgebroken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afbreken
jijzult afbreken
hijzal afbreken
wijzullen afbreken
julliezullen afbreken
zijzullen afbreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgebroken hebben
jijzult afgebroken hebben
hijzal afgebroken hebben
wijzullen afgebroken hebben
julliezullen afgebroken hebben
zijzullen afgebroken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afbreken
jijzou afbreken
hijzou afbreken
wijzouden afbreken
julliezouden afbreken
zijzouden afbreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgebroken hebben
jijzou afgebroken hebben
hijzou afgebroken hebben
wijzouden afgebroken hebben
julliezouden afgebroken hebben
zijzouden afgebroken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbreek af

Translations

  • abort, aeronautics: to terminate a mission involving a missile or rocket
  • abort, computing: to terminate a process prior to completion
  • abrupt, to tear off or asunder
  • stop, to cause to come to an end
  • wrench, to pull or twist
  • escape, to halt a program by pressing a combination of keys
  • deplete, empty or unload
  • dismantle, take apart
  • suspend, to discontinue or interrupt a function, task, position, or event
  • interrupt, to disturb or halt an ongoing process or action
  • pillory, criticize harshly
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afknappen
    begeven
    breken
    opsplitsen
    beëindigen
    stopzetten
    afkraken
    prijzen, lauweren, loven, roemen

    Antonyms

    breken
    maken
    beëindigen
    continueren, doorgaan, vervolgen, voortzetten

    Sample Sentences

    • [...] vooral toen hij van mijn gesneuvelden broeder sprak; en toen hij van mijn berouw in later tijd gewaagde, en dat mij alsdan niemand zou te hulp komen, was hij zoo aangedaan, dat hij het gesprek afbrak, en mij verklaarde, dat zijn hart te vol was en hij niet meer spreken kon. (Robinson Crusoe)
    • [...] ik mij nederlegde, deed ik wat ik nog nimmer had gedaan, ik viel op mijne knieën, en bad God zijne belofte gestand te doen, en mij te bevrijden als ik Hem aanriep in den dag der benaauwing. Na dit afgebroken en onvolkomen gebed dronk ik den rum, waarin ik den tabak had geweekt, die zoo scherp en sterk van den tabak was, dat ik hem naauwelijks kon inzwelgen. Onmiddellijk daarop ging ik naar bed, en vond [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] vastgeklemd; de zee had het van achteren en op zijde reeds geheel aan stukken geslagen, en daar het voorschip met groot geweld tusschen de klippen was geworpen, waren de fokke en groote mast kort afgebroken, maar de boegspriet was heel en de voorsteven scheen nog geheel onbeschadigd. Toen ik dezen naderde kwam er een hond te voorschijn, die, mij ziende, begon te janken en te blaffen, en zoodra ik hem [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] Vrijdag en ik droegen hen daarop tusschen ons in. Maar aan onzen buitenwal gekomen, waren wij nog meer in verlegenheid, want het was ons onmogelijk hen er over te helpen, en ik wilde die niet gaarne afbreken. Vrijdag en ik gingen dus weder aan het werk, en binnen een paar uren hadden wij een vrij knappe tent opgeslagen, met oude zeilen en daarover takken bedekt, op de opene plek, tusschen mijn buitenste [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch afbreken. Equivalent to af + breken.

    Verbs referencing "afbreken"

    German, old spelling abbrechen.

    Additional Information