Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: afbreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afbrekend
Past participle - Verleden deelwoord: afgebroken
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | breek af |
| jij | breekt af |
| hij | breekt af |
| wij | breken af |
| jullie | breken af |
| zij | breken af |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgebroken |
| jij | hebt afgebroken |
| hij | heeft afgebroken |
| wij | hebben afgebroken |
| jullie | hebben afgebroken |
| zij | hebben afgebroken |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | brak af |
| jij | brak af |
| hij | brak af |
| wij | braken af |
| jullie | braken af |
| zij | braken af |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgebroken |
| jij | had afgebroken |
| hij | had afgebroken |
| wij | hadden afgebroken |
| jullie | hadden afgebroken |
| zij | hadden afgebroken |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal afbreken |
| jij | zult afbreken |
| hij | zal afbreken |
| wij | zullen afbreken |
| jullie | zullen afbreken |
| zij | zullen afbreken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgebroken hebben |
| jij | zult afgebroken hebben |
| hij | zal afgebroken hebben |
| wij | zullen afgebroken hebben |
| jullie | zullen afgebroken hebben |
| zij | zullen afgebroken hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou afbreken |
| jij | zou afbreken |
| hij | zou afbreken |
| wij | zouden afbreken |
| jullie | zouden afbreken |
| zij | zouden afbreken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgebroken hebben |
| jij | zou afgebroken hebben |
| hij | zou afgebroken hebben |
| wij | zouden afgebroken hebben |
| jullie | zouden afgebroken hebben |
| zij | zouden afgebroken hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'afbreken'
aanbevelen,
aanbreken,
aannemen,
aanspreken,
aansteken,
afbreken,
afnemen,
afspreken,
afsteken,
afstelen,
bespreken,
bestelen,
bevelen,
breken,
deelnemen,
gevangennemen,
innemen,
kwaadspreken,
nemen,
onderbreken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'afbreken'
afpreken,
aanbreken,
afkraken,
afreiken,
afspreken,
afsteken,
aftreden,
aftrekken,
ambreren,
breken,
Translations
abort, aeronautics: to terminate a mission involving a missile or rocket
abort, computing: to terminate a process prior to completion
abrupt, to tear off or asunder
stop, to cause to come to an end
wrench, to pull or twist
escape, to halt a program by pressing a combination of keys
deplete, empty or unload
dismantle, take apart
suspend, to discontinue or interrupt a function, task, position, or event
interrupt, to disturb or halt an ongoing process or action
pillory, criticize harshly
Sample Sentences
-
[...] vooral toen hij van mijn gesneuvelden broeder sprak; en toen hij van mijn berouw in later tijd gewaagde, en dat mij alsdan niemand zou te hulp komen, was hij zoo aangedaan, dat hij het gesprek afbrak, en mij verklaarde, dat zijn hart te vol was en hij niet meer spreken kon.
(Robinson Crusoe)
-
[...] ik mij nederlegde, deed ik wat ik nog nimmer had gedaan, ik viel op mijne knieën, en bad God zijne belofte gestand te doen, en mij te bevrijden als ik Hem aanriep in den dag der benaauwing. Na dit afgebroken en onvolkomen gebed dronk ik den rum, waarin ik den tabak had geweekt, die zoo scherp en sterk van den tabak was, dat ik hem naauwelijks kon inzwelgen. Onmiddellijk daarop ging ik naar bed, en vond [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] vastgeklemd; de zee had het van achteren en op zijde reeds geheel aan stukken geslagen, en daar het voorschip met groot geweld tusschen de klippen was geworpen, waren de fokke en groote mast kort afgebroken, maar de boegspriet was heel en de voorsteven scheen nog geheel onbeschadigd. Toen ik dezen naderde kwam er een hond te voorschijn, die, mij ziende, begon te janken en te blaffen, en zoodra ik hem [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] Vrijdag en ik droegen hen daarop tusschen ons in. Maar aan onzen buitenwal gekomen, waren wij nog meer in verlegenheid, want het was ons onmogelijk hen er over te helpen, en ik wilde die niet gaarne afbreken. Vrijdag en ik gingen dus weder aan het werk, en binnen een paar uren hadden wij een vrij knappe tent opgeslagen, met oude zeilen en daarover takken bedekt, op de opene plek, tusschen mijn buitenste [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch afbreken. Equivalent to af + breken.
Verbs referencing "afbreken"
German, old spelling
abbrechen.
Additional Information