afbranden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afbranden

The word "afbranden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afbranden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afbrandend
Past participle - Verleden deelwoord: afgebrand

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbrand af
jijbrandt af
hijbrandt af
wijbranden af
julliebranden af
zijbranden af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgebrand
jijhebt afgebrand
hijheeft afgebrand
wijhebben afgebrand
julliehebben afgebrand
zijhebben afgebrand

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbrandde af
jijbrandde af
hijbrandde af
wijbrandden af
julliebrandden af
zijbrandden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgebrand
jijhad afgebrand
hijhad afgebrand
wijhadden afgebrand
julliehadden afgebrand
zijhadden afgebrand

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afbranden
jijzult afbranden
hijzal afbranden
wijzullen afbranden
julliezullen afbranden
zijzullen afbranden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgebrand hebben
jijzult afgebrand hebben
hijzal afgebrand hebben
wijzullen afgebrand hebben
julliezullen afgebrand hebben
zijzullen afgebrand hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afbranden
jijzou afbranden
hijzou afbranden
wijzouden afbranden
julliezouden afbranden
zijzouden afbranden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgebrand hebben
jijzou afgebrand hebben
hijzou afgebrand hebben
wijzouden afgebrand hebben
julliezouden afgebrand hebben
zijzouden afgebrand hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbrand af

Verbs similar to 'afbranden'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch afbranden, uncommon variant of afbernen. Equivalent to af + branden.

Additional Information