Infinitive - Onbepaalde wijs: afbietsen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afbietsend
Past participle - Verleden deelwoord: afgebietst
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | biets af |
| jij | bietst af |
| hij | bietst af |
| wij | bietsen af |
| jullie | bietsen af |
| zij | bietsen af |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgebietst |
| jij | hebt afgebietst |
| hij | heeft afgebietst |
| wij | hebben afgebietst |
| jullie | hebben afgebietst |
| zij | hebben afgebietst |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | bietste af |
| jij | bietste af |
| hij | bietste af |
| wij | bietsten af |
| jullie | bietsten af |
| zij | bietsten af |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgebietst |
| jij | had afgebietst |
| hij | had afgebietst |
| wij | hadden afgebietst |
| jullie | hadden afgebietst |
| zij | hadden afgebietst |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal afbietsen |
| jij | zult afbietsen |
| hij | zal afbietsen |
| wij | zullen afbietsen |
| jullie | zullen afbietsen |
| zij | zullen afbietsen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgebietst hebben |
| jij | zult afgebietst hebben |
| hij | zal afgebietst hebben |
| wij | zullen afgebietst hebben |
| jullie | zullen afgebietst hebben |
| zij | zullen afgebietst hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou afbietsen |
| jij | zou afbietsen |
| hij | zou afbietsen |
| wij | zouden afbietsen |
| jullie | zouden afbietsen |
| zij | zouden afbietsen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgebietst hebben |
| jij | zou afgebietst hebben |
| hij | zou afgebietst hebben |
| wij | zouden afgebietst hebben |
| jullie | zouden afgebietst hebben |
| zij | zouden afgebietst hebben |
| jij | biets af |