abdiceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of abdiceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: abdiceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: abdicerend
Past participle - Verleden deelwoord: geabdiceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikabdiceer
jijabdiceert
hijabdiceert
wijabdiceren
jullieabdiceren
zijabdiceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geabdiceerd
jijhebt geabdiceerd
hijheeft geabdiceerd
wijhebben geabdiceerd
julliehebben geabdiceerd
zijhebben geabdiceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikabdiceerde
jijabdiceerde
hijabdiceerde
wijabdiceerden
jullieabdiceerden
zijabdiceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geabdiceerd
jijhad geabdiceerd
hijhad geabdiceerd
wijhadden geabdiceerd
julliehadden geabdiceerd
zijhadden geabdiceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal abdiceren
jijzult abdiceren
hijzal abdiceren
wijzullen abdiceren
julliezullen abdiceren
zijzullen abdiceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geabdiceerd hebben
jijzult geabdiceerd hebben
hijzal geabdiceerd hebben
wijzullen geabdiceerd hebben
julliezullen geabdiceerd hebben
zijzullen geabdiceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou abdiceren
jijzou abdiceren
hijzou abdiceren
wijzouden abdiceren
julliezouden abdiceren
zijzouden abdiceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geabdiceerd hebben
jijzou geabdiceerd hebben
hijzou geabdiceerd hebben
wijzouden geabdiceerd hebben
julliezouden geabdiceerd hebben
zijzouden geabdiceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijabdiceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Next to older abdiqueren from Middle French abdiquer, from Latin abdīcō. See: Latin 'abdīcō'.

Additional Information