Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: aanvullen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanvullend
Past participle - Verleden deelwoord: aangevuld
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | vul aan |
| jij | vult aan |
| hij | vult aan |
| wij | vullen aan |
| jullie | vullen aan |
| zij | vullen aan |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb aangevuld |
| jij | hebt aangevuld |
| hij | heeft aangevuld |
| wij | hebben aangevuld |
| jullie | hebben aangevuld |
| zij | hebben aangevuld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | vulde aan |
| jij | vulde aan |
| hij | vulde aan |
| wij | vulden aan |
| jullie | vulden aan |
| zij | vulden aan |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had aangevuld |
| jij | had aangevuld |
| hij | had aangevuld |
| wij | hadden aangevuld |
| jullie | hadden aangevuld |
| zij | hadden aangevuld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal aanvullen |
| jij | zult aanvullen |
| hij | zal aanvullen |
| wij | zullen aanvullen |
| jullie | zullen aanvullen |
| zij | zullen aanvullen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal aangevuld hebben |
| jij | zult aangevuld hebben |
| hij | zal aangevuld hebben |
| wij | zullen aangevuld hebben |
| jullie | zullen aangevuld hebben |
| zij | zullen aangevuld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou aanvullen |
| jij | zou aanvullen |
| hij | zou aanvullen |
| wij | zouden aanvullen |
| jullie | zouden aanvullen |
| zij | zouden aanvullen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou aangevuld hebben |
| jij | zou aangevuld hebben |
| hij | zou aangevuld hebben |
| wij | zouden aangevuld hebben |
| jullie | zouden aangevuld hebben |
| zij | zouden aangevuld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'aanvullen'
aanballen,
aanbellen,
aanbollen,
aanbrullen,
aaneenwellen,
aanleggen,
aanrollen,
aanschellen,
aanstellen,
aantellen,
aantillen,
aanvollen,
aanvullen,
aanwellen,
aanwennen,
achternahollen,
achterstellen,
afbellen,
afgillen,
afhollen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'aanvullen'
aanvallen,
aanvollen,
aanballen,
aanbellen,
aanbollen,
aanbrullen,
aanrollen,
aantellen,
aantillen,
aanvijlen,
Translations
augment, to increase, make larger or supplement
complement, to complete
complement, to provide what the partner lacks and lack what the partner provides
complete, to complete
complete, to make whole or entire
fill, add contents to, so it is full
finish, to complete
replenish, to refill
supplement, to provide or make a supplement to
Sample Sentences
-
Ik begon thans te bemerken dat mijn buskruid zeer verminderde, en dat ik dit gebrek nimmer zou kunnen aanvullen. Ik begon er ernstig over na te denken, wat te doen als ik geen kruid meer zou hebben, namelijk hoe ik dan van tijd tot tijd eene geit zou dooden. Ik had, gelijk ik verhaald heb, in het derde jaar [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] ver van elkander, en zoo verborgen als ik vinden kon, in elke waarvan ik een half dozijn jonge geiten kon houden, zoodat, als de groote kudde eenig ongeluk overkwam, ik die gemakkelijk weder kon aanvullen. Dit laatste middel, hoe moeijelijk ook, achtte ik het verstandigst, en begon er dadelijk aan.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From aan + vullen.
Additional Information