aanstoten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanstoten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanstoten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanstotend
Past participle - Verleden deelwoord: aangestoten

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstoot aan
jijstoot aan
hijstoot aan
wijstoten aan
julliestoten aan
zijstoten aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangestoten
jijhebt aangestoten
hijheeft aangestoten
wijhebben aangestoten
julliehebben aangestoten
zijhebben aangestoten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstiet aan; stootte aan
jijstiet aan; stootte aan
hijstiet aan; stootte aan
wijstieten aan; stootten aan
julliestieten aan; stootten aan
zijstieten aan; stootten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangestoten
jijhad aangestoten
hijhad aangestoten
wijhadden aangestoten
julliehadden aangestoten
zijhadden aangestoten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanstoten
jijzult aanstoten
hijzal aanstoten
wijzullen aanstoten
julliezullen aanstoten
zijzullen aanstoten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangestoten hebben
jijzult aangestoten hebben
hijzal aangestoten hebben
wijzullen aangestoten hebben
julliezullen aangestoten hebben
zijzullen aangestoten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanstoten
jijzou aanstoten
hijzou aanstoten
wijzouden aanstoten
julliezouden aanstoten
zijzouden aanstoten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangestoten hebben
jijzou aangestoten hebben
hijzou aangestoten hebben
wijzouden aangestoten hebben
julliezouden aangestoten hebben
zijzouden aangestoten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstoot aan

Verbs conjugated like 'aanstoten'

aanstoten, afstoten, stoten, verstoten,

Translations

  • nudge, To push against gently, especially in order to gain attention or give a signal
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanduwen
    duwen, klinken, porren, proosten

    Sample Sentences

    Etymology

    From aan + stoten.

    Additional Information