aanspelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanspelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanspelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanspelend
Past participle - Verleden deelwoord: aangespeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspeel aan
jijspeelt aan
hijspeelt aan
wijspelen aan
julliespelen aan
zijspelen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangespeeld
jijhebt aangespeeld
hijheeft aangespeeld
wijhebben aangespeeld
julliehebben aangespeeld
zijhebben aangespeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspeelde aan
jijspeelde aan
hijspeelde aan
wijspeelden aan
julliespeelden aan
zijspeelden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangespeeld
jijhad aangespeeld
hijhad aangespeeld
wijhadden aangespeeld
julliehadden aangespeeld
zijhadden aangespeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanspelen
jijzult aanspelen
hijzal aanspelen
wijzullen aanspelen
julliezullen aanspelen
zijzullen aanspelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangespeeld hebben
jijzult aangespeeld hebben
hijzal aangespeeld hebben
wijzullen aangespeeld hebben
julliezullen aangespeeld hebben
zijzullen aangespeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanspelen
jijzou aanspelen
hijzou aanspelen
wijzouden aanspelen
julliezouden aanspelen
zijzouden aanspelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangespeeld hebben
jijzou aangespeeld hebben
hijzou aangespeeld hebben
wijzouden aangespeeld hebben
julliezouden aangespeeld hebben
zijzouden aangespeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspeel aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of aan + spelen.

Additional Information