aanmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanmeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanmerend
Past participle - Verleden deelwoord: aangemeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmeer aan
jijmeert aan
hijmeert aan
wijmeren aan
julliemeren aan
zijmeren aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangemeerd
jijhebt aangemeerd
hijheeft aangemeerd
wijhebben aangemeerd
julliehebben aangemeerd
zijhebben aangemeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmeerde aan
jijmeerde aan
hijmeerde aan
wijmeerden aan
julliemeerden aan
zijmeerden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangemeerd
jijhad aangemeerd
hijhad aangemeerd
wijhadden aangemeerd
julliehadden aangemeerd
zijhadden aangemeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanmeren
jijzult aanmeren
hijzal aanmeren
wijzullen aanmeren
julliezullen aanmeren
zijzullen aanmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangemeerd hebben
jijzult aangemeerd hebben
hijzal aangemeerd hebben
wijzullen aangemeerd hebben
julliezullen aangemeerd hebben
zijzullen aangemeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanmeren
jijzou aanmeren
hijzou aanmeren
wijzouden aanmeren
julliezouden aanmeren
zijzouden aanmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangemeerd hebben
jijzou aangemeerd hebben
hijzou aangemeerd hebben
wijzouden aangemeerd hebben
julliezouden aangemeerd hebben
zijzouden aangemeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmeer aan

Translations

  • berth, to bring a ship into berth
  • moor, to cast anchor or become fastened
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From aan + meren.

    Verbs referencing "aanmeren"

    Papiamento mara, Portuguese amarrar, Spanish amarrar, French amarrer, Kabuverdianu mára.

    Additional Information