zadelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zadelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zadelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zadelend
Past participle - Verleden deelwoord: gezadeld

Cognates

See the 5 cognates of zadelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzadel
jijzadelt
hijzadelt
wijzadelen
julliezadelen
zijzadelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezadeld
jijhebt gezadeld
hijheeft gezadeld
wijhebben gezadeld
julliehebben gezadeld
zijhebben gezadeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzadelde
jijzadelde
hijzadelde
wijzadelden
julliezadelden
zijzadelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezadeld
jijhad gezadeld
hijhad gezadeld
wijhadden gezadeld
julliehadden gezadeld
zijhadden gezadeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zadelen
jijzult zadelen
hijzal zadelen
wijzullen zadelen
julliezullen zadelen
zijzullen zadelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezadeld hebben
jijzult gezadeld hebben
hijzal gezadeld hebben
wijzullen gezadeld hebben
julliezullen gezadeld hebben
zijzullen gezadeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zadelen
jijzou zadelen
hijzou zadelen
wijzouden zadelen
julliezouden zadelen
zijzouden zadelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezadeld hebben
jijzou gezadeld hebben
hijzou gezadeld hebben
wijzouden gezadeld hebben
julliezouden gezadeld hebben
zijzouden gezadeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzadel

Translations

  • saddle, to put a saddle on
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch sādelen. Equivalent to zadel (“saddle”) + -en.

    Verbs referencing "zadelen"

    English saddle.

    Additional Information