schoffelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schoffelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schoffelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schoffelend
Past participle - Verleden deelwoord: geschoffeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschoffel
jijschoffelt
hijschoffelt
wijschoffelen
jullieschoffelen
zijschoffelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschoffeld
jijhebt geschoffeld
hijheeft geschoffeld
wijhebben geschoffeld
julliehebben geschoffeld
zijhebben geschoffeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschoffelde
jijschoffelde
hijschoffelde
wijschoffelden
jullieschoffelden
zijschoffelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschoffeld
jijhad geschoffeld
hijhad geschoffeld
wijhadden geschoffeld
julliehadden geschoffeld
zijhadden geschoffeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schoffelen
jijzult schoffelen
hijzal schoffelen
wijzullen schoffelen
julliezullen schoffelen
zijzullen schoffelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschoffeld hebben
jijzult geschoffeld hebben
hijzal geschoffeld hebben
wijzullen geschoffeld hebben
julliezullen geschoffeld hebben
zijzullen geschoffeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schoffelen
jijzou schoffelen
hijzou schoffelen
wijzouden schoffelen
julliezouden schoffelen
zijzouden schoffelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschoffeld hebben
jijzou geschoffeld hebben
hijzou geschoffeld hebben
wijzouden geschoffeld hebben
julliezouden geschoffeld hebben
zijzouden geschoffeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschoffel

Translations

  • hoe, to use the gardening tool
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From schoffel + -en.

    Additional Information