grazen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of grazen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: grazen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: grazend
Past participle - Verleden deelwoord: gegraasd

Cognates

See the 2 cognates of grazen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgraas
jijgraast
hijgraast
wijgrazen
julliegrazen
zijgrazen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegraasd
jijhebt gegraasd
hijheeft gegraasd
wijhebben gegraasd
julliehebben gegraasd
zijhebben gegraasd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgraasde
jijgraasde
hijgraasde
wijgraasden
julliegraasden
zijgraasden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegraasd
jijhad gegraasd
hijhad gegraasd
wijhadden gegraasd
julliehadden gegraasd
zijhadden gegraasd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal grazen
jijzult grazen
hijzal grazen
wijzullen grazen
julliezullen grazen
zijzullen grazen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegraasd hebben
jijzult gegraasd hebben
hijzal gegraasd hebben
wijzullen gegraasd hebben
julliezullen gegraasd hebben
zijzullen gegraasd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou grazen
jijzou grazen
hijzou grazen
wijzouden grazen
julliezouden grazen
zijzouden grazen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegraasd hebben
jijzou gegraasd hebben
hijzou gegraasd hebben
wijzouden gegraasd hebben
julliezouden gegraasd hebben
zijzouden gegraasd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgraas

Verbs conjugated like 'grazen'

blozen, grazen, liefkozen, verbazen, vrezen,

Verbs similar to 'grazen'

graven, blazen, braden, dragen, draven, gapen, geraken, glanzen, grenzen, gruwen,

Translations

  • graze, to eat grass from a pasture
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] overlegd en ik ging met ijver aan het werk. Ik had ongeveer drie maanden werk er aan, en in dien tijd bond ik de drie geiten op de beste plek er in vast en gewende ze zoo digt bij mij te grazen als mogelijk, om ze mak te maken. Ik ging er dikwijls heen met eene hand vol graan of rijst en liet ze uit mijne hand eten, zoodat toen mijne heining af was, en ik ze los liet, zij mij blatende [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch grasen, from Old Dutch *grason, from Proto-Germanic *grasōną, akin to modern gras (“grass”). More at graze. See: Old Dutch '*grason', Proto-Germanic '*grasōną'.

    Verbs referencing "grazen"

    German, Pennsylvania graase, Danish græsse.

    Additional Information