effenen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of effenen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: effenen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: effenend
Past participle - Verleden deelwoord: geëffend

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikeffen
jijeffent
hijeffent
wijeffenen
jullieeffenen
zijeffenen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëffend
jijhebt geëffend
hijheeft geëffend
wijhebben geëffend
julliehebben geëffend
zijhebben geëffend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikeffende
jijeffende
hijeffende
wijeffenden
jullieeffenden
zijeffenden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëffend
jijhad geëffend
hijhad geëffend
wijhadden geëffend
julliehadden geëffend
zijhadden geëffend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal effenen
jijzult effenen
hijzal effenen
wijzullen effenen
julliezullen effenen
zijzullen effenen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëffend hebben
jijzult geëffend hebben
hijzal geëffend hebben
wijzullen geëffend hebben
julliezullen geëffend hebben
zijzullen geëffend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou effenen
jijzou effenen
hijzou effenen
wijzouden effenen
julliezouden effenen
zijzouden effenen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëffend hebben
jijzou geëffend hebben
hijzou geëffend hebben
wijzouden geëffend hebben
julliezouden geëffend hebben
zijzouden geëffend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijeffen

Translations

  • fair, to smoothen a surface
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    egaliseren
    vereffenen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch effenen. By surface analysis, effen + -en.

    Additional Information