dobberen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dobberen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dobberen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dobberend
Past participle - Verleden deelwoord: gedobberd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdobber
jijdobbert
hijdobbert
wijdobberen
julliedobberen
zijdobberen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedobberd
jijhebt gedobberd
hijheeft gedobberd
wijhebben gedobberd
julliehebben gedobberd
zijhebben gedobberd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdobberde
jijdobberde
hijdobberde
wijdobberden
julliedobberden
zijdobberden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedobberd
jijhad gedobberd
hijhad gedobberd
wijhadden gedobberd
julliehadden gedobberd
zijhadden gedobberd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dobberen
jijzult dobberen
hijzal dobberen
wijzullen dobberen
julliezullen dobberen
zijzullen dobberen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedobberd hebben
jijzult gedobberd hebben
hijzal gedobberd hebben
wijzullen gedobberd hebben
julliezullen gedobberd hebben
zijzullen gedobberd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dobberen
jijzou dobberen
hijzou dobberen
wijzouden dobberen
julliezouden dobberen
zijzouden dobberen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedobberd hebben
jijzou gedobberd hebben
hijzou gedobberd hebben
wijzouden gedobberd hebben
julliezouden gedobberd hebben
zijzouden gedobberd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdobber

Translations

  • bob, move vertically at surface of water
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From dobber + -en.

    Additional Information