Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: betreuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: betreurend
Past participle - Verleden deelwoord: betreurd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | betreur |
| jij | betreurt |
| hij | betreurt |
| wij | betreuren |
| jullie | betreuren |
| zij | betreuren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb betreurd |
| jij | hebt betreurd |
| hij | heeft betreurd |
| wij | hebben betreurd |
| jullie | hebben betreurd |
| zij | hebben betreurd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | betreurde |
| jij | betreurde |
| hij | betreurde |
| wij | betreurden |
| jullie | betreurden |
| zij | betreurden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had betreurd |
| jij | had betreurd |
| hij | had betreurd |
| wij | hadden betreurd |
| jullie | hadden betreurd |
| zij | hadden betreurd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal betreuren |
| jij | zult betreuren |
| hij | zal betreuren |
| wij | zullen betreuren |
| jullie | zullen betreuren |
| zij | zullen betreuren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal betreurd hebben |
| jij | zult betreurd hebben |
| hij | zal betreurd hebben |
| wij | zullen betreurd hebben |
| jullie | zullen betreurd hebben |
| zij | zullen betreurd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou betreuren |
| jij | zou betreuren |
| hij | zou betreuren |
| wij | zouden betreuren |
| jullie | zouden betreuren |
| zij | zouden betreuren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou betreurd hebben |
| jij | zou betreurd hebben |
| hij | zou betreurd hebben |
| wij | zouden betreurd hebben |
| jullie | zouden betreurd hebben |
| zij | zouden betreurd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'betreuren'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'betreuren'
beteren,
betreden,
betreffen,
betrekken,
treuren,
barreren,
beboeren,
bedreigen,
begeren,
begieren,
Translations
regret, feel sorry about some past thing
repent, to feel pain on account of, to remember with sorrow
repent, to feel sorry for, to regret
grieve, to feel very sad about
bewail, to wail over
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] waaraan de grooten blootstaan. " Alleen hieruit, " zeide hij, " kunt gij over het geluk van dezen staat oordeelen, dat dikwijls koningen de treurige gevolgen van hunnen verheven stand hebben betreurd, en gewenscht, dat zij in het midden tusschen grootheid en geringheid waren geboren. Het beste boek getuigt ook van het geluk van dezen staat, als de wijze den Hemel smeekt hem noch armoede noch [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] in een toestand geplaatst had, waarin ik een gelukkig en kalm leven had kunnen leiden; maar ik wilde dit niet erkennen; noch deszelfs zegeningen van mijn vader leeren. Ik liet hen mijne dwaasheden betreuren, en thans moet ik derzelver gevolgen beweenen. Ik weigerde de hulp mijner verwanten, die mij gemakkelijk door de wereld hadden kunnen helpen, en nu moet ik moeijelijkheden overwinnen, waartegen [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From be- + treuren.
Additional Information