banjeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of banjeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: banjeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: banjerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebanjerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbanjer
jijbanjert
hijbanjert
wijbanjeren
julliebanjeren
zijbanjeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebanjerd
jijhebt gebanjerd
hijheeft gebanjerd
wijhebben gebanjerd
julliehebben gebanjerd
zijhebben gebanjerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbanjerde
jijbanjerde
hijbanjerde
wijbanjerden
julliebanjerden
zijbanjerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebanjerd
jijhad gebanjerd
hijhad gebanjerd
wijhadden gebanjerd
julliehadden gebanjerd
zijhadden gebanjerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal banjeren
jijzult banjeren
hijzal banjeren
wijzullen banjeren
julliezullen banjeren
zijzullen banjeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebanjerd hebben
jijzult gebanjerd hebben
hijzal gebanjerd hebben
wijzullen gebanjerd hebben
julliezullen gebanjerd hebben
zijzullen gebanjerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou banjeren
jijzou banjeren
hijzou banjeren
wijzouden banjeren
julliezouden banjeren
zijzouden banjeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebanjerd hebben
jijzou gebanjerd hebben
hijzou gebanjerd hebben
wijzouden gebanjerd hebben
julliezouden gebanjerd hebben
zijzouden gebanjerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbanjer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From banjer + -en, a shortening of banjerheer whose first element ultimately derived from Malay banyak.

Additional Information