aarzelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aarzelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aarzelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aarzelend
Past participle - Verleden deelwoord: geaarzeld

Cognates

See the 2 cognates of aarzelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaarzel
jijaarzelt
hijaarzelt
wijaarzelen
jullieaarzelen
zijaarzelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaarzeld
jijhebt geaarzeld
hijheeft geaarzeld
wijhebben geaarzeld
julliehebben geaarzeld
zijhebben geaarzeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaarzelde
jijaarzelde
hijaarzelde
wijaarzelden
jullieaarzelden
zijaarzelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaarzeld
jijhad geaarzeld
hijhad geaarzeld
wijhadden geaarzeld
julliehadden geaarzeld
zijhadden geaarzeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aarzelen
jijzult aarzelen
hijzal aarzelen
wijzullen aarzelen
julliezullen aarzelen
zijzullen aarzelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaarzeld hebben
jijzult geaarzeld hebben
hijzal geaarzeld hebben
wijzullen geaarzeld hebben
julliezullen geaarzeld hebben
zijzullen geaarzeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aarzelen
jijzou aarzelen
hijzou aarzelen
wijzouden aarzelen
julliezouden aarzelen
zijzouden aarzelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaarzeld hebben
jijzou geaarzeld hebben
hijzou geaarzeld hebben
wijzouden geaarzeld hebben
julliezouden geaarzeld hebben
zijzouden geaarzeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaarzel

Translations

  • hesitate, to stop or pause respecting decision or action
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    dralen
    dubben, schromen, talmen, treuzelen, twijfelen, weifelen

    Sample Sentences

    • [...] op naar Brazilië te gaan, om er mij voor altijd neder te zetten, want ik was er als het ware genaturaliseerd, maar ik had eenige godsdienstige bezwaren, die mij daarvan terughielden. Ik had wel niet geaarzeld om zoo lang ik onder hen was, mij te houden alsof ik hunne godsdienst aankleefde, en dit deed ik ook nog niet, maar er thans meer dan vroeger over denkende om daar te leven en te sterven, berouwde [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch erselen, arselen (“to step back, to retreat”), frequentative of ersen, from aers (“buttocks”) (modern aars). Compare English arsle. See: English 'assle'.

    Verbs referencing "aarzelen"

    English assle.

    Additional Information