zwelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zwelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zwelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zwelend
Past participle - Verleden deelwoord: gezweld

Cognates

See the 3 cognates of zwelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzwel
jijzwelt
hijzwelt
wijzwelen
julliezwelen
zijzwelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezweld
jijhebt gezweld
hijheeft gezweld
wijhebben gezweld
julliehebben gezweld
zijhebben gezweld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzwelde
jijzwelde
hijzwelde
wijzwelden
julliezwelden
zijzwelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezweld
jijhad gezweld
hijhad gezweld
wijhadden gezweld
julliehadden gezweld
zijhadden gezweld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zwelen
jijzult zwelen
hijzal zwelen
wijzullen zwelen
julliezullen zwelen
zijzullen zwelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezweld hebben
jijzult gezweld hebben
hijzal gezweld hebben
wijzullen gezweld hebben
julliezullen gezweld hebben
zijzullen gezweld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zwelen
jijzou zwelen
hijzou zwelen
wijzouden zwelen
julliezouden zwelen
zijzouden zwelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezweld hebben
jijzou gezweld hebben
hijzou gezweld hebben
wijzouden gezweld hebben
julliezouden gezweld hebben
zijzouden gezweld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzwel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "zwelen"

German, old spelling schwelen, English sweal.

Additional Information