zwavelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zwavelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zwavelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zwavelend
Past participle - Verleden deelwoord: gezwaveld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzwavel
jijzwavelt
hijzwavelt
wijzwavelen
julliezwavelen
zijzwavelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezwaveld
jijhebt gezwaveld
hijheeft gezwaveld
wijhebben gezwaveld
julliehebben gezwaveld
zijhebben gezwaveld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzwavelde
jijzwavelde
hijzwavelde
wijzwavelden
julliezwavelden
zijzwavelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezwaveld
jijhad gezwaveld
hijhad gezwaveld
wijhadden gezwaveld
julliehadden gezwaveld
zijhadden gezwaveld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zwavelen
jijzult zwavelen
hijzal zwavelen
wijzullen zwavelen
julliezullen zwavelen
zijzullen zwavelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezwaveld hebben
jijzult gezwaveld hebben
hijzal gezwaveld hebben
wijzullen gezwaveld hebben
julliezullen gezwaveld hebben
zijzullen gezwaveld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zwavelen
jijzou zwavelen
hijzou zwavelen
wijzouden zwavelen
julliezouden zwavelen
zijzouden zwavelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezwaveld hebben
jijzou gezwaveld hebben
hijzou gezwaveld hebben
wijzouden gezwaveld hebben
julliezouden gezwaveld hebben
zijzouden gezwaveld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzwavel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information