zabberen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zabberen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zabberen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zabberend
Past participle - Verleden deelwoord: gezabberd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzabber
jijzabbert
hijzabbert
wijzabberen
julliezabberen
zijzabberen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezabberd
jijhebt gezabberd
hijheeft gezabberd
wijhebben gezabberd
julliehebben gezabberd
zijhebben gezabberd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzabberde
jijzabberde
hijzabberde
wijzabberden
julliezabberden
zijzabberden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezabberd
jijhad gezabberd
hijhad gezabberd
wijhadden gezabberd
julliehadden gezabberd
zijhadden gezabberd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zabberen
jijzult zabberen
hijzal zabberen
wijzullen zabberen
julliezullen zabberen
zijzullen zabberen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezabberd hebben
jijzult gezabberd hebben
hijzal gezabberd hebben
wijzullen gezabberd hebben
julliezullen gezabberd hebben
zijzullen gezabberd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zabberen
jijzou zabberen
hijzou zabberen
wijzouden zabberen
julliezouden zabberen
zijzouden zabberen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezabberd hebben
jijzou gezabberd hebben
hijzou gezabberd hebben
wijzouden gezabberd hebben
julliezouden gezabberd hebben
zijzouden gezabberd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzabber

Translations

  • slaver, to drool saliva
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From zabben + -eren.

    Verbs referencing "zabberen"

    German, old spelling sabbern, German, old spelling sabbeln.

    Additional Information