Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: vriezen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vriezend
Past participle - Verleden deelwoord: gevroren
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| hij | heeft gevroren; gevrozen |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| hij | had gevroren; gevrozen |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| hij | zal gevroren; gevrozen hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| hij | zou gevroren; gevrozen hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'vriezen'
vriezen,
Verbs similar to 'vriezen'
vrezen,
kiezen,
krielen,
niezen,
prijzen,
rieken,
rijzen,
veinzen,
verkiezen,
verliezen,
Translations
freeze, to lower something's temperature to freezing point
freeze, of temperature, to drop below zero
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
Etymology
From Middle Dutch vriesen, from Old Dutch *friesan, from Proto-West Germanic *freusan, from Proto-Germanic *freusaną, from Proto-Indo-European *prews-. See: Middle Dutch '
vriesen', Proto-Germanic '
*freusaną'.
Verbs referencing "vriezen"
English
freeze, Papiamento
fris, Danish
fryse, German, old spelling
frieren, Afrikaans
vries, Luxembourgish
fréieren, Low Saxon fresen.
Additional Information