vriezen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vriezen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vriezen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vriezend
Past participle - Verleden deelwoord: gevroren

Cognates

See the 7 cognates of vriezen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijvriest

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft gevroren; gevrozen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijvroor

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad gevroren; gevrozen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal vriezen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal gevroren; gevrozen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou vriezen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou gevroren; gevrozen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Verbs conjugated like 'vriezen'

vriezen,

Verbs similar to 'vriezen'

vrezen, kiezen, krielen, niezen, prijzen, rieken, rijzen, veinzen, verkiezen, verliezen,

Translations

  • freeze, to lower something's temperature to freezing point
  • freeze, of temperature, to drop below zero
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch vriesen, from Old Dutch *friesan, from Proto-West Germanic *freusan, from Proto-Germanic *freusaną, from Proto-Indo-European *prews-. See: Middle Dutch 'vriesen', Proto-Germanic '*freusaną'.

    Verbs referencing "vriezen"

    English freeze, Papiamento fris, Danish fryse, German, old spelling frieren, Afrikaans vries, Luxembourgish fréieren, Low Saxon fresen.

    Additional Information