trillen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trillen

The word "trillen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trillen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trillend
Past participle - Verleden deelwoord: getrild

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktril
jijtrilt
hijtrilt
wijtrillen
jullietrillen
zijtrillen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getrild
jijhebt getrild
hijheeft getrild
wijhebben getrild
julliehebben getrild
zijhebben getrild

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrilde
jijtrilde
hijtrilde
wijtrilden
jullietrilden
zijtrilden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getrild
jijhad getrild
hijhad getrild
wijhadden getrild
julliehadden getrild
zijhadden getrild

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trillen
jijzult trillen
hijzal trillen
wijzullen trillen
julliezullen trillen
zijzullen trillen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getrild hebben
jijzult getrild hebben
hijzal getrild hebben
wijzullen getrild hebben
julliezullen getrild hebben
zijzullen getrild hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trillen
jijzou trillen
hijzou trillen
wijzouden trillen
julliezouden trillen
zijzouden trillen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getrild hebben
jijzou getrild hebben
hijzou getrild hebben
wijzouden getrild hebben
julliezouden getrild hebben
zijzouden getrild hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtril

Verbs similar to 'trillen'

Translations

  • thrill, tremble or quiver
  • throb, to vibrate or pulsate with a steady rhythm
  • vibrate, to move with small movements rapidly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch trillen, further etymology unknown.

    Additional Information