tossen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tossen

The word "tossen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tossen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tossend
Past participle - Verleden deelwoord: getost

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktos
jijtost
hijtost
wijtossen
jullietossen
zijtossen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getost
jijhebt getost
hijheeft getost
wijhebben getost
julliehebben getost
zijhebben getost

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktoste
jijtoste
hijtoste
wijtosten
jullietosten
zijtosten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getost
jijhad getost
hijhad getost
wijhadden getost
julliehadden getost
zijhadden getost

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tossen
jijzult tossen
hijzal tossen
wijzullen tossen
julliezullen tossen
zijzullen tossen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getost hebben
jijzult getost hebben
hijzal getost hebben
wijzullen getost hebben
julliezullen getost hebben
zijzullen getost hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tossen
jijzou tossen
hijzou tossen
wijzouden tossen
julliezouden tossen
zijzouden tossen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getost hebben
jijzou getost hebben
hijzou getost hebben
wijzouden getost hebben
julliezouden getost hebben
zijzouden getost hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtos

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English toss. See: English 'toss'.

Additional Information