tokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tokken

The word "tokken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tokkend
Past participle - Verleden deelwoord: getokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktok
jijtokt
hijtokt
wijtokken
jullietokken
zijtokken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getokt
jijhebt getokt
hijheeft getokt
wijhebben getokt
julliehebben getokt
zijhebben getokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktokte
jijtokte
hijtokte
wijtokten
jullietokten
zijtokten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getokt
jijhad getokt
hijhad getokt
wijhadden getokt
julliehadden getokt
zijhadden getokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tokken
jijzult tokken
hijzal tokken
wijzullen tokken
julliezullen tokken
zijzullen tokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getokt hebben
jijzult getokt hebben
hijzal getokt hebben
wijzullen getokt hebben
julliezullen getokt hebben
zijzullen getokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tokken
jijzou tokken
hijzou tokken
wijzouden tokken
julliezouden tokken
zijzouden tokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getokt hebben
jijzou getokt hebben
hijzou getokt hebben
wijzouden getokt hebben
julliezouden getokt hebben
zijzouden getokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtok

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch tocken, tucken, from Old Dutch *tokkon, *tukkon, from Proto-West Germanic *tukkōn, from Proto-Germanic *tukkōną. See: Old Dutch '*tokkon', Proto-Germanic '*tukkōną'.

Additional Information