stippelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stippelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stippelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stippelend
Past participle - Verleden deelwoord: gestippeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstippel
jijstippelt
hijstippelt
wijstippelen
julliestippelen
zijstippelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestippeld
jijhebt gestippeld
hijheeft gestippeld
wijhebben gestippeld
julliehebben gestippeld
zijhebben gestippeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstippelde
jijstippelde
hijstippelde
wijstippelden
julliestippelden
zijstippelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestippeld
jijhad gestippeld
hijhad gestippeld
wijhadden gestippeld
julliehadden gestippeld
zijhadden gestippeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stippelen
jijzult stippelen
hijzal stippelen
wijzullen stippelen
julliezullen stippelen
zijzullen stippelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestippeld hebben
jijzult gestippeld hebben
hijzal gestippeld hebben
wijzullen gestippeld hebben
julliezullen gestippeld hebben
zijzullen gestippeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stippelen
jijzou stippelen
hijzou stippelen
wijzouden stippelen
julliezouden stippelen
zijzouden stippelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestippeld hebben
jijzou gestippeld hebben
hijzou gestippeld hebben
wijzouden gestippeld hebben
julliezouden gestippeld hebben
zijzouden gestippeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstippel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information