stiefelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stiefelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stiefelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stiefelend
Past participle - Verleden deelwoord: gestiefeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstiefel
jijstiefelt
hijstiefelt
wijstiefelen
julliestiefelen
zijstiefelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestiefeld
jijhebt gestiefeld
hijheeft gestiefeld
wijhebben gestiefeld
julliehebben gestiefeld
zijhebben gestiefeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstiefelde
jijstiefelde
hijstiefelde
wijstiefelden
julliestiefelden
zijstiefelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestiefeld
jijhad gestiefeld
hijhad gestiefeld
wijhadden gestiefeld
julliehadden gestiefeld
zijhadden gestiefeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stiefelen
jijzult stiefelen
hijzal stiefelen
wijzullen stiefelen
julliezullen stiefelen
zijzullen stiefelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestiefeld hebben
jijzult gestiefeld hebben
hijzal gestiefeld hebben
wijzullen gestiefeld hebben
julliezullen gestiefeld hebben
zijzullen gestiefeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stiefelen
jijzou stiefelen
hijzou stiefelen
wijzouden stiefelen
julliezouden stiefelen
zijzouden stiefelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestiefeld hebben
jijzou gestiefeld hebben
hijzou gestiefeld hebben
wijzouden gestiefeld hebben
julliezouden gestiefeld hebben
zijzouden gestiefeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstiefel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Mid-20th century, from German stiefeln. More at stevel. See: German, old spelling 'stiefeln'.

Additional Information