skimmen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of skimmen

The word "skimmen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: skimmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: skimmend
Past participle - Verleden deelwoord: geskimd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikskim
jijskimt
hijskimt
wijskimmen
jullieskimmen
zijskimmen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geskimd
jijhebt geskimd
hijheeft geskimd
wijhebben geskimd
julliehebben geskimd
zijhebben geskimd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikskimde
jijskimde
hijskimde
wijskimden
jullieskimden
zijskimden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geskimd
jijhad geskimd
hijhad geskimd
wijhadden geskimd
julliehadden geskimd
zijhadden geskimd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal skimmen
jijzult skimmen
hijzal skimmen
wijzullen skimmen
julliezullen skimmen
zijzullen skimmen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geskimd hebben
jijzult geskimd hebben
hijzal geskimd hebben
wijzullen geskimd hebben
julliezullen geskimd hebben
zijzullen geskimd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou skimmen
jijzou skimmen
hijzou skimmen
wijzouden skimmen
julliezouden skimmen
zijzouden skimmen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geskimd hebben
jijzou geskimd hebben
hijzou geskimd hebben
wijzouden geskimd hebben
julliezouden geskimd hebben
zijzouden geskimd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijskim

Verbs similar to 'skimmen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English skim. See: English 'skim'.

Additional Information