scharren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of scharren

The word "scharren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: scharren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: scharrend
Past participle - Verleden deelwoord: geschard

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschar
jijschart
hijschart
wijscharren
julliescharren
zijscharren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschard
jijhebt geschard
hijheeft geschard
wijhebben geschard
julliehebben geschard
zijhebben geschard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikscharde
jijscharde
hijscharde
wijscharden
julliescharden
zijscharden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschard
jijhad geschard
hijhad geschard
wijhadden geschard
julliehadden geschard
zijhadden geschard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal scharren
jijzult scharren
hijzal scharren
wijzullen scharren
julliezullen scharren
zijzullen scharren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschard hebben
jijzult geschard hebben
hijzal geschard hebben
wijzullen geschard hebben
julliezullen geschard hebben
zijzullen geschard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou scharren
jijzou scharren
hijzou scharren
wijzouden scharren
julliezouden scharren
zijzouden scharren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschard hebben
jijzou geschard hebben
hijzou geschard hebben
wijzouden geschard hebben
julliezouden geschard hebben
zijzouden geschard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschar

Verbs similar to 'scharren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch scharren, from Old Dutch *skerran, from Proto-Germanic *skerraną, *skersaną. See: Proto-Germanic '*skeraną'.

Additional Information