pollen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pollen

The word "pollen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pollen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pollend
Past participle - Verleden deelwoord: gepold

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpol
jijpolt
hijpolt
wijpollen
julliepollen
zijpollen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepold
jijhebt gepold
hijheeft gepold
wijhebben gepold
julliehebben gepold
zijhebben gepold

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpolde
jijpolde
hijpolde
wijpolden
julliepolden
zijpolden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepold
jijhad gepold
hijhad gepold
wijhadden gepold
julliehadden gepold
zijhadden gepold

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pollen
jijzult pollen
hijzal pollen
wijzullen pollen
julliezullen pollen
zijzullen pollen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepold hebben
jijzult gepold hebben
hijzal gepold hebben
wijzullen gepold hebben
julliezullen gepold hebben
zijzullen gepold hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pollen
jijzou pollen
hijzou pollen
wijzouden pollen
julliezouden pollen
zijzouden pollen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepold hebben
jijzou gepold hebben
hijzou gepold hebben
wijzouden gepold hebben
julliezouden gepold hebben
zijzouden gepold hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpol

Verbs similar to 'pollen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From English poll. See: English 'poll'.

Additional Information