opstellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opstellen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opstellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opstellend
Past participle - Verleden deelwoord: opgesteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstel op
jijstelt op
hijstelt op
wijstellen op
julliestellen op
zijstellen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgesteld
jijhebt opgesteld
hijheeft opgesteld
wijhebben opgesteld
julliehebben opgesteld
zijhebben opgesteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstelde op
jijstelde op
hijstelde op
wijstelden op
julliestelden op
zijstelden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgesteld
jijhad opgesteld
hijhad opgesteld
wijhadden opgesteld
julliehadden opgesteld
zijhadden opgesteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opstellen
jijzult opstellen
hijzal opstellen
wijzullen opstellen
julliezullen opstellen
zijzullen opstellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgesteld hebben
jijzult opgesteld hebben
hijzal opgesteld hebben
wijzullen opgesteld hebben
julliezullen opgesteld hebben
zijzullen opgesteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opstellen
jijzou opstellen
hijzou opstellen
wijzouden opstellen
julliezouden opstellen
zijzouden opstellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgesteld hebben
jijzou opgesteld hebben
hijzou opgesteld hebben
wijzouden opgesteld hebben
julliezouden opgesteld hebben
zijzouden opgesteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstel op

Translations

  • budget, construct or draw up a budget
  • line, to place (objects) into a line
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    inrichten
    ontwerpen
    redigeren
    schrijven

    Sample Sentences

    Etymology

    From op (“up”) + stellen.

    Additional Information