opslokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opslokken

The word "opslokken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opslokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opslokkend
Past participle - Verleden deelwoord: opgeslokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikslok op
jijslokt op
hijslokt op
wijslokken op
jullieslokken op
zijslokken op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgeslokt
jijhebt opgeslokt
hijheeft opgeslokt
wijhebben opgeslokt
julliehebben opgeslokt
zijhebben opgeslokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikslokte op
jijslokte op
hijslokte op
wijslokten op
jullieslokten op
zijslokten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgeslokt
jijhad opgeslokt
hijhad opgeslokt
wijhadden opgeslokt
julliehadden opgeslokt
zijhadden opgeslokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opslokken
jijzult opslokken
hijzal opslokken
wijzullen opslokken
julliezullen opslokken
zijzullen opslokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgeslokt hebben
jijzult opgeslokt hebben
hijzal opgeslokt hebben
wijzullen opgeslokt hebben
julliezullen opgeslokt hebben
zijzullen opgeslokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opslokken
jijzou opslokken
hijzou opslokken
wijzouden opslokken
julliezouden opslokken
zijzouden opslokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgeslokt hebben
jijzou opgeslokt hebben
hijzou opgeslokt hebben
wijzouden opgeslokt hebben
julliezouden opgeslokt hebben
zijzouden opgeslokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijslok op

Verbs similar to 'opslokken'

Translations

  • gobble, to eat hastily or greedily
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information