oplikken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of oplikken

The word "oplikken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: oplikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: oplikkend
Past participle - Verleden deelwoord: opgelikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklik op
jijlikt op
hijlikt op
wijlikken op
jullielikken op
zijlikken op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgelikt
jijhebt opgelikt
hijheeft opgelikt
wijhebben opgelikt
julliehebben opgelikt
zijhebben opgelikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklikte op
jijlikte op
hijlikte op
wijlikten op
jullielikten op
zijlikten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgelikt
jijhad opgelikt
hijhad opgelikt
wijhadden opgelikt
julliehadden opgelikt
zijhadden opgelikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal oplikken
jijzult oplikken
hijzal oplikken
wijzullen oplikken
julliezullen oplikken
zijzullen oplikken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgelikt hebben
jijzult opgelikt hebben
hijzal opgelikt hebben
wijzullen opgelikt hebben
julliezullen opgelikt hebben
zijzullen opgelikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou oplikken
jijzou oplikken
hijzou oplikken
wijzouden oplikken
julliezouden oplikken
zijzouden oplikken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgelikt hebben
jijzou opgelikt hebben
hijzou opgelikt hebben
wijzouden opgelikt hebben
julliezouden opgelikt hebben
zijzouden opgelikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlik op

Verbs similar to 'oplikken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information