Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: nestelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nestelend
Past participle - Verleden deelwoord: genesteld
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | nestel |
| jij | nestelt |
| hij | nestelt |
| wij | nestelen |
| jullie | nestelen |
| zij | nestelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb genesteld |
| jij | hebt genesteld |
| hij | heeft genesteld |
| wij | hebben genesteld |
| jullie | hebben genesteld |
| zij | hebben genesteld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | nestelde |
| jij | nestelde |
| hij | nestelde |
| wij | nestelden |
| jullie | nestelden |
| zij | nestelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had genesteld |
| jij | had genesteld |
| hij | had genesteld |
| wij | hadden genesteld |
| jullie | hadden genesteld |
| zij | hadden genesteld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal nestelen |
| jij | zult nestelen |
| hij | zal nestelen |
| wij | zullen nestelen |
| jullie | zullen nestelen |
| zij | zullen nestelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal genesteld hebben |
| jij | zult genesteld hebben |
| hij | zal genesteld hebben |
| wij | zullen genesteld hebben |
| jullie | zullen genesteld hebben |
| zij | zullen genesteld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou nestelen |
| jij | zou nestelen |
| hij | zou nestelen |
| wij | zouden nestelen |
| jullie | zouden nestelen |
| zij | zouden nestelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou genesteld hebben |
| jij | zou genesteld hebben |
| hij | zou genesteld hebben |
| wij | zouden genesteld hebben |
| jullie | zouden genesteld hebben |
| zij | zouden genesteld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'nestelen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'nestelen'
bestelen,
netelen,
afstelen,
beitelen,
bespelen,
besteden,
bestellen,
geselen,
kastelen,
ketelen,
Translations
ensconce, to settle comfortably
nest, to build or settle into a nest
nest, to settle into a home
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] bosch, en ontdekte dikwijls op deze togten veel, dat mij van nut was. Zoo vond ik eene soort van wilde duiven, die niet gelijk de houtduiven op boomen, maar als huisduiven in spleten van de rotsen nestelden. Ik nam eenige jongen mede en trachtte die tam te maken; maar toen zij ouder werden vlogen zij allen weg, misschien, omdat ik haar geen eten gaf, want ik had dit niet. Ik vond echter dikwijls hare [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] tamme zeevogels, wier naam ik niet kende, die ik op het strand gevangen en gekortwiekt had. De stekken, die ik om mijn muur geplant had, waren nu tot een digt bosch gegroeid, en daarin leefden en nestelden zij, hetgeen mij zeer aangenaam was. Aldus leefde ik zeer tevreden, behalve dat ik steeds door vrees voor de wilden geplaagd werd. Doch het was anders besloten, en het zal hier niet ongepast zijn [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch nestelen, from Old Dutch nistilon. Equivalent to nest + -elen. See: Old Dutch 'nistilon'.
Verbs referencing "nestelen"
English
nestle.
Additional Information