lebberen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lebberen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lebberen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lebberend
Past participle - Verleden deelwoord: gelebberd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklebber
jijlebbert
hijlebbert
wijlebberen
jullielebberen
zijlebberen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelebberd
jijhebt gelebberd
hijheeft gelebberd
wijhebben gelebberd
julliehebben gelebberd
zijhebben gelebberd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklebberde
jijlebberde
hijlebberde
wijlebberden
jullielebberden
zijlebberden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelebberd
jijhad gelebberd
hijhad gelebberd
wijhadden gelebberd
julliehadden gelebberd
zijhadden gelebberd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lebberen
jijzult lebberen
hijzal lebberen
wijzullen lebberen
julliezullen lebberen
zijzullen lebberen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelebberd hebben
jijzult gelebberd hebben
hijzal gelebberd hebben
wijzullen gelebberd hebben
julliezullen gelebberd hebben
zijzullen gelebberd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lebberen
jijzou lebberen
hijzou lebberen
wijzouden lebberen
julliezouden lebberen
zijzouden lebberen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelebberd hebben
jijzou gelebberd hebben
hijzou gelebberd hebben
wijzouden gelebberd hebben
julliezouden gelebberd hebben
zijzouden gelebberd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlebber

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

drinken
slobberen

Sample Sentences

  • Tante Wilma liet Babsi weer uit haar glas lebberen. [2016, Petra Hülsmann, Een hart vol hommel(e)s:]
  • Tientallen olifanten staan met elkaar te lebberen in het water, strooien zand rond alsof het allemaal niets kost, badderen hun logge lijven en weten vast allemal dat wij naar hun staan te kijken. [2016, Ada Rosman-Kleinjan, De olifanten van Botswana: met een 4x4 door Moremi en Chobe, section 37:]

Etymology

From older lepperen, frequentative of leppen.

Additional Information