knippen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of knippen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: knippen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: knippend
Past participle - Verleden deelwoord: geknipt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikknip
jijknipt
hijknipt
wijknippen
jullieknippen
zijknippen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geknipt
jijhebt geknipt
hijheeft geknipt
wijhebben geknipt
julliehebben geknipt
zijhebben geknipt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikknipte
jijknipte
hijknipte
wijknipten
jullieknipten
zijknipten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geknipt
jijhad geknipt
hijhad geknipt
wijhadden geknipt
julliehadden geknipt
zijhadden geknipt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal knippen
jijzult knippen
hijzal knippen
wijzullen knippen
julliezullen knippen
zijzullen knippen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geknipt hebben
jijzult geknipt hebben
hijzal geknipt hebben
wijzullen geknipt hebben
julliezullen geknipt hebben
zijzullen geknipt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou knippen
jijzou knippen
hijzou knippen
wijzouden knippen
julliezouden knippen
zijzouden knippen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geknipt hebben
jijzou geknipt hebben
hijzou geknipt hebben
wijzouden geknipt hebben
julliezouden geknipt hebben
zijzouden geknipt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijknip

Translations

  • carve, to cut
  • cut, to cut
  • cut, computing: to remove and place in memory
  • cut, to cease recording
  • neuter, to remove sex organs from an animal
  • scissor, to cut using scissors
  • section, to cut
  • shear, to cut
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    inkorten
    snijden, snoeien

    Sample Sentences

    Etymology

    1. From Middle Dutch knippen, further etymology unknown. Directly related only with Middle Low German knippen. Probably onomatopoeic.
    2. The sense “to blink” may, at least in part, be due to conflation with knijpen (“to squeeze”). Compare de ogen toeknijpen (“to screw up one’s eyes”); also Low German knippen and kniepen both in the sense of “to blink”, German kniepen. See also Dutch knipperen. See: Low Saxon 'knippen', German, old spelling 'kniepen', Dutch 'knipperen'.

    Verbs referencing "knippen"

    English knip, German, old spelling knipsen, German, old spelling kniepen.

    Additional Information