inlossen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inlossen

The word "inlossen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inlossen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inlossend
Past participle - Verleden deelwoord: ingelost

Cognates

See the 2 cognates of inlossen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklos in
jijlost in
hijlost in
wijlossen in
jullielossen in
zijlossen in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingelost
jijhebt ingelost
hijheeft ingelost
wijhebben ingelost
julliehebben ingelost
zijhebben ingelost

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikloste in
jijloste in
hijloste in
wijlosten in
jullielosten in
zijlosten in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingelost
jijhad ingelost
hijhad ingelost
wijhadden ingelost
julliehadden ingelost
zijhadden ingelost

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inlossen
jijzult inlossen
hijzal inlossen
wijzullen inlossen
julliezullen inlossen
zijzullen inlossen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingelost hebben
jijzult ingelost hebben
hijzal ingelost hebben
wijzullen ingelost hebben
julliezullen ingelost hebben
zijzullen ingelost hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inlossen
jijzou inlossen
hijzou inlossen
wijzouden inlossen
julliezouden inlossen
zijzouden inlossen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingelost hebben
jijzou ingelost hebben
hijzou ingelost hebben
wijzouden ingelost hebben
julliezouden ingelost hebben
zijzouden ingelost hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlos in

Verbs similar to 'inlossen'

Translations

  • redeem, to convert into cash
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From in (“in”) + lossen (“to unload”).

    Verbs referencing "inlossen"

    Alemannic German iilöse.

    Additional Information