glippen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of glippen

The word "glippen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: glippen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: glippend
Past participle - Verleden deelwoord: geglipt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikglip
jijglipt
hijglipt
wijglippen
jullieglippen
zijglippen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geglipt
jijhebt geglipt
hijheeft geglipt
wijhebben geglipt
julliehebben geglipt
zijhebben geglipt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikglipte
jijglipte
hijglipte
wijglipten
jullieglipten
zijglipten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geglipt
jijhad geglipt
hijhad geglipt
wijhadden geglipt
julliehadden geglipt
zijhadden geglipt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal glippen
jijzult glippen
hijzal glippen
wijzullen glippen
julliezullen glippen
zijzullen glippen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geglipt hebben
jijzult geglipt hebben
hijzal geglipt hebben
wijzullen geglipt hebben
julliezullen geglipt hebben
zijzullen geglipt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou glippen
jijzou glippen
hijzou glippen
wijzouden glippen
julliezouden glippen
zijzouden glippen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geglipt hebben
jijzou geglipt hebben
hijzou geglipt hebben
wijzouden geglipt hebben
julliezouden geglipt hebben
zijzouden geglipt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijglip

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • door de mazen van het net glippen

Etymology

From Middle Dutch *glippen, from Old Dutch *glippon, from Proto-West Germanic *glippōn. See: Old Dutch '*glippon'.

Verbs referencing "glippen"

Middle English glyffen.

Additional Information